blosse blog: “Tussen stad en staat – een wereld van verschil”

Sinds juni 2013 is Kim Putters directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Daarnaast bekleedt hij de functie van bijzonder hoogleraar Beleid en Sturing van de Zorg in de Veranderende Verzorgingsstaat aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam. Wij praten met hem over de organisatie van een decentraliserende staat en stille ideologie.

Dit artikel is geschreven door Jorick Beijer & Marije Blok en verscheen in het najaar van 2014 in het GO-magazine, een uitgave van de praktijkleerstoel Gebiedsontwikkeling van de TU Delft.

Regelmatig schetst u verschillende aspecten van de verschuiving van verzorgingsstaat naar verzorgingsstad. De crisis lijkt de grootste aanjager om burgers meer verantwoordelijkheid te geven en de overheid te herorganiseren. Maar in hoeverre hebben deze transities nog een ideologische grondslag?
Ik denk dat je politiek gezien maar het beste kunt zeggen dat de noodzaak voor een enorme bezuiniging de aanleiding is. Dat is ook een eerlijk verhaal. Alleen, als ik alle cijfers neem – de toename van eenzaamheid onder ouderen; de vergelijking hiervan met andere Europese landen; wat mensen in eigen kring kunnen doen en hoe ze dat organiseren; wat dat betekent voor kleine dorpen – heeft de verschuiving van verzorgingsstaat naar verzorgingsstad helemaal niets met bezuiniging te maken. Dat heeft te maken met hoe wij met mensen in onze samenleving omgaan. Maar in deze tijd komt de overheid natuurlijk niet weg met het verhaal dat het goed is om naar elkaar om te zien, voor elkaar te zorgen. Dat snap ik ook, want het gaat wel gepaard met een forse bezuiniging. Een andere verdeling van verantwoordeijkheden tussen overheid, burgers en samenleving is evenwel een gerechtvaardigd debat.

Zorg is daarin maar één element. Ook bijvoorbeeld de organisatie van huisvesting, juist voor ouderen, via woningcorporaties, is een krachtenveld waarin ideologie nog maar een geringe rol lijkt te spelen.
Dat is het vervelende. Die ideologie hebben we, ik zou bijna zeggen verbannen; we doen net of die er niet is, terwijl ze overal is. Zoals wij hier aan tafel zitten, een verpleegkundige aan het bed, een schoolbestuurder – iedereen heeft opvattingen. Hoe je ook technocratiseert – met DBC’s, zzp’ers – uiteindelijk is degene die de beslissing neemt een mens met opvattingen over wat goed en niet goed is.

Hoe ziet de gemeente van de toekomst eruit?
Ik denk dat je er niet aan ontkomt dat er verschillende typen gemeenten ontstaan. Je hebt gemeenten die zelf een uitvoerende dienst hebben en gemeenten die dat inkopen bij anderen. Er zijn gemeenten die heel wijkgericht werken, andere kijken juist weer meer naar het collectief, why not?

Hoe kijkt de burger daar volgens u tegenaan?
Die trend van bezuinigingen aan de ene kant en verandering van de inrichting van de samenleving aan de andere kant zorgt wel voor wrijving, ongenoegen en onzekerheid bij de burger. Die krijgt het gevoel dat hij geen invloed meer heeft op de eigen leefsituatie en dat de overheid alles wegneemt.

Ik denk dat de komende tijd in het teken van verzet zal staan, maar ik zie ook breed draagvlak voor het principe achter de decentralisatie, eigenlijk wordt die nauwelijks betwist. Mijn verwachting is dat de trend nu wel doorzet. De decentralisatie gaat vragen en verzet oproepen; de boel kan zelfs nog zo uit de hand lopen dat het volgende kabinet het terugdraait. Veel waarschijnlijker lijkt mij echter dat er een debat op gang komt. Bijvoorbeeld over de vraag of gemeenten eigen inkomsten mogen verwerven. Als gemeenten er wel taken bij krijgen maar Den Haag bepaalt hoeveel geld ze krijgen, is het natuurlijk een wat gemankeerde decentralisatie. Als we kijken naar Scandinavische modellen, zien we dat de counties daar ook belasting heffen. Je kunt mensen op allerlei manieren laten meebeslissen over waar dat geld naartoe gaat. Wie dit nu steunt, ontkomt er niet aan ook een debat te voeren over hoe gemeenten aan inkomsten zouden moeten komen.

Geld verdienen door ruimtelijke ordening staat bij veel gemeenten hoog op de agenda. Ze hebben jarenlang opportunistisch beleid gevoerd op allerlei bedrijventerreinen en uitleggebieden. Er is ruimtelijke verrommeling ontstaan van iets wat eerder, op provinciaal of landelijk niveau, een gereguleerde vorm had.
Dat is inderdaad een keerzijde van de decentralisatie. Naarmate provincies zich terugtrekken en ook waterschappen minder te zeggen hebben, zullen op dat niveau verschillen ontstaan. Het wil niet zeggen dat we problemen die de Rijksoverheid is tegengekomen, niet ook lokaal tegenkomen. Dat geldt voor zowel sociaal als ruimtelijk beleid.

Hoe voorkomen we hierbij lokale verkokering?
Je zult integraler moeten nadenken. Goede oplossingen voor de leegstand, het op peil houden van ouderenvoorzie- ningen, zodat toename van eenzaamheid wordt voorkomen; dat zijn ruimtelijke beslissingen. Als je daarbij niet de verbinding naar de sociale status van de gemeente maakt, naar wat daar over tien, twintig jaar nodig is, dan verpaupert, verrommelt het ruimtelijk beleid inderdaad. Eigenlijk is ruimtelijk beleid ook sociaal beleid.

Aanpakken van leegstand, herprogrammering: de kans van slagen is veel groter als we dat doen op een strategisch schaalniveau, bijvoorbeeld in regionaal verband.
Daar heb je wel echt een punt. Ik denk dat geen enkele gemeente uiteindelijk ontkomt aan gezamenlijk beleid. Zeker als je het hebt over ruimtelijk beleid, de regionale economie, de arbeidsmarkt. Voor kleine gemeenten die graag zelfstandig blijven, is de verbinding met de regio zelfs een cruciale randvoorwaarde voor voortbestaan. Lokale partijen zitten in een spagaat. Mensen stemmen vaak op ze omdat ze zelfstandig willen blijven en zich afzetten tegen de regio. Maar voor het eigen voortbestaan hebben de kleine gemeenten deze regio wel nodig. Bij vraagstukken als waar bedrijventerreinen neer te zetten; waar op in te zetten qua bedrijvigheid en welke vakscholen er in de regio komen, moet je regionaal beleid voeren.

Van de politieke bespiegelingen terug naar de burger. Er wordt natuurlijk veel geschreven over die zelforganisatie, zelfredzaamheid van de stad. Bent u hoopvol over het zelforganiserende potentieel?
Ja en nee. Ik ben wel hoopvol in die zin dat ik overal initiatieven zie ontstaan. Van stadsboerderijen tot woningblokken waar mensen dingen zelf organiseren. Wijk– en buurtinitiatieven voor het zorgen voor elkaar: je ziet tal van ontwikkelingen. Ik denk ook dat deze zullen toenemen en mensen het leuk beginnen te vinden. We ontdekken onze omgeving weer: ‘Wat is het eigenlijk fijn om een leuk buurtje met elkaar te hebben zonder overheid die bepaalt waar een boompje moet staan.’ Daar ben ik hoopvol over, want ik denk dat deze initiatieven aanstekelijk werken.

De keerzijde is wel dat je dit vooral ziet gebeuren bij hoogopgeleiden. De groep kwetsbare burgers neemt toe tot zeven procent van de bevolking. Deze mensen zijn geen stadsboerderijen aan het oprichten. Dit zijn mensen – bijstandsmoeders, eenoudergezinnen, sommige ouderen – bij wie de problemen op financieel en sociaal gebied, qua gezondheid en huisvesting, zich opstapelen.

Bij de hoogopgeleiden – en dat is van alle tijden – ligt wel een beetje de verplichting leiding te geven aan dit land. Of je dat nu op een school doet, een departement, voor een gemeente, of op andere verantwoordelijke plekken. Er moeten mensen zijn die nieuwe samenlevingsvormen vormgeven. Als die manier van denken zich verspreidt, kan het echt tot iets nieuws leiden, maar er moet nog veel gebeuren. We denken nog erg in termen van rechten, zekerheden, collectiviteiten. Als we redeneren vanuit hoe de verzorgingsstaat is opgericht, is dat heel begrijpelijk, maar we hebben met de systemen veel afhankelijkheid gecreëerd. Dat is allemaal niet zomaar veranderd.