blosse blog: “Stedelijke vernieuwing, beter voor buurt of burger?

Het stedelijke vernieuwingsbeleid heeft vrijwel altijd als doel om zowel leefbaarheid, duurzaamheid en reputatie van gebieden te verbeteren (place-based), alsook de gezondheid en het welzijn van haar bewoners (people-based). Het valt echter te betwijfelen of transformatie van de leefomgeving wel daadwerkelijk kan leiden tot een betere positie op de arbeidsmarkt, een hoger inkomen of verbetering van de gezondheid. Op 6 februari vond op het OTB (TU Delft) het seminar Social Mobility and Health Impacts of Urban Regeneration in Times of Crisis plaats, dat inging op de vraag wat voor effecten we eigenlijk mogen verwachten van stedelijke vernieuwing. Wat blijkt? Stedelijke vernieuwing heeft inderdaad meer effect op de fysieke plek van de interventie, dan op het persoonlijk leven van de bewoners. In tijden van crisis lijkt het aantrekkelijk te investeren in het zichtbare en ruimtelijke interventies toe te passen. Maar is het uiteindelijk niet aantrekkelijker zichtbare resultaten in persoonlijke levens te boeken?

Dit artikel is geschreven door Jorick Beijer & Marije Blok en verscheen 24-02-2014 op Gebiedsontwikkeling.NU.

Lessen over stedelijke vernieuwing:
– Onderzoeken naar de impact van stedelijke vernieuwing laten zien dat interventies meer effect hebben op de plek waar deze plaatsvinden (place-based) dan op de gezondheid en het welzijn van haar bewoners (people-based).
– De impact van economische factoren op de gezondheid en het welzijn van de bewoner blijkt groter dan verbeteringen aan de woning.
– Om stedelijke vernieuwing te doen slagen, is betrokkenheid van bewoners en goed verwachtingsmanagement cruciaal.
– Stedelijke vernieuwing die de bewoners gezonder maakt en hun sociale mobiliteit bevordert, vereist een mix van inzichten uit verschillende disciplines. Alleen ruimtelijk interveniëren heeft onvoldoende impact.

Ade Kearns, professor of Urban Studies aan de University of Glasgow bijt het spits af. In zijn project GoWell volgde hij tien jaar lang de bewoners van Glasgow, terwijl stedelijke vernieuwing plaatsvond op zowel buurt- als woningniveau. Aanname hierbij was dat het verbeteren van leefomstandigheden positief effect heeft op de gezondheid. Op woningniveau, waar Kearns zich in dit seminar op focust, bleek nieuw schilderwerk de meeste positieve invloed te hebben op zowel de fysieke als mentale gezondheid van de bewoners. De positieve invloed op de mentale gezondheid bleek nog groter wanneer nieuwe schilderwerk werd gecombineerd met het plaatsen van een nieuwe voordeur of het vervangen van keuken en badkamer.

Economische factoren blijken een veel grotere impact te hebben. Het positieve effect van het krijgen van een baan, bleek twee keer zo groot als welke effect van de verbeteringen aan het huis dan ook. Helaas was dit geluk slechts voor zo’n vijf procent van de bewoners weggelegd. De meesten rapporteerden juist stress ten gevolge van de financiële crisis. Vaak waren de negatieve effecten van de financiële zorgen even groot als de positieve effecten van de woningverbeteringen. Andere factoren die bijdroegen aan het welzijn van de bewoners waren het vinden van of trouwen met een partner en een goede relatie met de huurbaas.

Ruim 40.000 centrale verwarmingen, 36.000 keukens en 26.000 nieuwe daken: een mooi resultaat, met tevens een mooi effect. Hoewel ondervraagde buurtbewoners van tevoren aangaven dat hun woonomstandigheden slechts een kleine rol spelen in hun welbevinden, knapte de bewoner wiens huis van een likje verf of nieuwe voordeur werd voorzien, meer op dan de controlegroep bij wie geen sprake was van woningverbetering. Toch draagt de inzet van de stedebouwkundige slechts ten dele bij aan de gezondheid van het individu. Omstandigheden die veel meer van invloed zijn op hoe de wijkbewoner zich voelt, liggen buiten de macht van de stadsplanner, zo concludeert Kearns.

Nederland kent met het URBAN40-project, waarin gezondheidseffecten werden onderzocht van stedelijke vernieuwing in de veertig Vogelaarwijken, een vergelijkbaar onderzoek. Anton Kunst, associate professor aan Universiteit van Amsterdam, gaat in op de vraag of verbeteringen in de omgeving daadwerkelijk verbeteringen in de gezondheid van de buurtbewoners tot gevolg hebben.

In de Vogelaarwijken werd een grote variatie aan interventies ingezet. In meer en mindere mate werden onder meer schooluitval en werkloosheid aangepakt; woningen en wijken verbeterd; werd ingezet op groene ruimten; ingegrepen bij overlast en gewerkt aan verkeersveiligheid. Maar heeft deze rijke variatie aan activiteiten ook (positieve) invloed op de gezondheid van haar inwoners? Slechts als deze zeer intensief en met meer tegelijk worden ingezet, zo stelt Kunst. Het percentage bewoners dat wandelt in de vrije tijd blijkt sinds de introductie van de Vogelaarwijken meer gestegen dan in de rest van Nederland. Op fietsgedrag en sportdeelname werd daarentegen geen effect gevonden. De algemene gezondheid is in alle 40 Vogelaarwijken nagenoeg gelijk gebleven. Alleen waar intensief werd geïnvesteerd in omgevingsfactoren, steeg deze. Waar men inzette op sociale interventies als werk of opleiding, daalde de algemene fysieke gezondheid juist, evenals waar nauwelijks werd geïnvesteerd.

Anton Kunst suggereert dat zijn onderzoek leidde tot people-based uitkomsten. Maar het is nog maar de vraag of hij echt de ontwikkeling van de bewoners onderzocht. Het onderzoek bracht weliswaar de ontwikkeling van de wijken in kaart, maar onduidelijk is of ook longitudinaal dezelfde bewoners zijn gemonitord. De wandelvriendelijkheid van de wijken is weliswaar in absolute zin verbeterd, maar zijn de oorspronkelijke bewoners dan ook meer gaan wandelen?

Transformaties in Hoogvliet
Woningbouwverenigingen Woonbron en Vestia waren betrokken bij grootschalige transformaties in Hoogvliet, Rotterdam. In dit project kregen 4,5 duizend huishoudens die woonden onder slechte omstandigheden een nieuw huis aangeboden. De kosten bedroegen zo’n honderdduizend euro per gezin, wat neerkomt op zo’n 500 miljoen euro in totaal. Was het het waard? Nicole van Twillert (Woonbron) durft de waarde van de transformatie niet in geld uit te drukken. Wel heeft ze lessen kunnen trekken uit dit enorme project. Ten eerste is het, om bewoners betrokken te houden en het gevoel te geven dat naar hen geluisterd wordt, belangrijk verwachtingen te inventariseren en hierop in te spelen. Volgens Van Twillert waren de verwachtingen van bewoners in Hoogvliet hooggespannen en was men in het begin zeer betrokken. Gedurende het proces sloeg echter ook teleurstelling toe, bijvoorbeeld toen bleek dat de buren ook mee waren verhuisd.

Zowel fysieke, sociale als economische problemen vormden de aanleiding voor de transformatie van Hoogvliet, die startte in 1999. Reinout Kleinhans, assistant professor Urban Renewal aan de TU Delft, deed onderzoek naar de effecten van deze interventie op de sociale mobiliteit van de bewoners. Daarbij werd gekeken naar huisbezit, afhankelijkheid van sociale voorzieningen en inkomen. Er was een stijging ten zien in het aantal huizenbezitters en ook het inkomen nam meer toe vergeleken met de controlegroep. Tegelijk gaven echter meer respondenten aan moeilijk rond te kunnen komen en was er groei zichtbaar in de afhankelijkheid van sociale voorzieningen. Een groot gedeelte bleek na de vernieuwing een stuk positiever over hun buurt en over hun eigen leven. Het viel daarbij op dat verhuizers (binnen en naar Hoogvliet) positiever waren dan degenen die al woonden op de getransformeerde plek. Onduidelijk blijft echter of het positieve persoonlijke effect van het wonen in een vernieuwde buurt leidt tot sociale mobiliteit of dat dit juist andersom zo is. Stellen persoonlijke omstandigheden (werk, gezondheid) de bewoners in staat in een betere buurt te wonen, of leiden de betere woonomstandigheden tot deze omstandigheden?

Het publiek op het seminar weerspiegelde goed de boodschap uit de onderzoeken. Medici, sociaal wetenschappers, ruimtelijk planners en beleidsambtenaren waren allemaal aanwezig. Het bevorderen van de gezondheid en het welzijn van bewoners in (achtergebleven) buurten, vereist inzicht vanuit diverse disciplines. Helaas kwam er ook op dit seminar geen eenduidig antwoord op de vraag of met ruimtelijke ingrepen de gezondheid van de stadsbewoners kan worden bevorderd of dat het vooral de stad zelf is die verbetert door dergelijke transformaties. Duidelijk is in ieder geval wel geworden dat alleen ruimtelijke interventies niet voldoende zijn om de stedeling gezonder en sociaal mobieler te maken. In tijden van crisis lijkt het aantrekkelijk te investeren in het zichtbare en ruimtelijke interventies toe te passen. Maar is het uiteindelijk niet aantrekkelijker zichtbare resultaten te boeken? Stedelijke vernieuwing in tijden van crisis betekent expliciet de inzet van een mix van ruimtelijke én sociale interventies.