blosse blog: “Gebiedsontwikkeling is niet ons terrein”

Juni 2013 ondertekenden Achmea en gemeente Rotterdam het convenant ‘Samen werken aan een gezond Rotterdam’. Een jaar later spraken wij Marjolein Verstappen, directeur zorginkoop en vice-voorzitter van Achmea: “Als gemeente en verzekeraar zitten we vooral in de faciliterende hoek. We zorgen dat partijen bij elkaar komen, er een zaaltje is gereserveerd, dat er lekkere koffie is. Vaak gaat het om dit soort kleine dingen. Dat mensen energie krijgen van elkaar, samen lol hebben.”

Dit artikel is geschreven door Jorick Beijer & Marije Blok en verscheen 21-07-2014 op Gebiedsontwikkeling.NU

Samen werken aan een gezonde gemeente
“In mijn tijd als GGD-directeur in Amsterdam, hielp ik de gemeente eens in de vier jaar een nota volksgezondheid te maken. Toen ik bij Achmea kwam werken, zag ik dat ik veel eerder afspraken had moeten maken met de verzekeraar: die heeft veel meer gegevens van de stad! Een zorgverzekeraar kan zo een vlekkenkaart maken. Daar zie je ook de bekende aandachtswijken, maar dan veel meer onderbouwd. Je ziet dan bijvoorbeeld dat in de ene wijk de inwoners veel vaker naar een ziekenhuis gaan dan in de andere. Dan blijkt bijvoorbeeld dat daar een veel beter georganiseerde eerstelijnszorg is.”

Het convenant richt zich op het verstevigen van samenwerking tussen gemeente en zorgverzekeraar, op het terrein van zorg, maar ook welzijn en preventie. We gebruiken het ook voor het goed laten landen van de transities waar we nu voor staan rondom de langdurige ouderenzorg en de jeugd(GGZ). Voor de klant moet het geen verschil zijn wie zorg financiert, het moet wel voldoen aan de behoefte aan zorg en ondersteuning.

Rotterdam is niet de enige gemeente waarmee we samenwerken. We hebben sinds 2008 ook een contract met Amsterdam en Utrecht en inmiddels ook met Almere en Amersfoort. De Utrechtse wijk Overvecht is onze showcase. We hebben het convenant daar al zo’n zes jaar. Het richt zich ook daar op samenhang van zorg, welzijn en preventie voor vaak kwetsbare inwoners. Een van de successen in Overvecht is dat we zien dat het aantal dikke kinderen elk jaar relatief minder snel stijgt dan in vergelijkbare wijken. Het heeft echt wel zin om zo geconcentreerd met professionals samen te werken. We zien daar ook elk jaar de zorgkosten dalen.”

Succesfactoren
“Onze frustratie, zo kan ik wel zeggen, is dat we Overvecht graag willen multipliceren, maar moeilijk kunnen zeggen wat daar nu zo goed werkt. Zelfs in Utrecht moeten we steeds bij het begin beginnen.

Ik denk dat een belangrijke succesfactor is dat alle hulpverleners, met verschillende achtergrond, zich concentreren op dezelfde klachten – in dit geval kinderen met overgewicht. Ze zijn met elkaar gaan praten hoe ze om moeten gaan met de klachten en gebruiken allemaal dezelfde remedie.

Het is belangrijk dat men elkaar weet te vinden. Zorgverleners, maar ook de gemeente en zorgverzekeraar, op persoonsniveau, elkaars 06-nummers hebben. Als gemeente en verzekeraar zitten we vooral in de faciliterende hoek. We zorgen dat partijen bij elkaar komen, er een zaaltje is gereserveerd, er lekkere koffie is, dat er een vervolgafspraak komt. Vaak gaat het om dit soort kleine dingen. Dat mensen energie krijgen van elkaar, samen lol hebben, vertrouwen hebben in elkaar.

Ten slotte is het belangrijk om te focussen. ‘Dikke kinderen’ is niet hetzelfde als ‘ADHD’, of ‘vandalisme’. Durf te kiezen voor een onderwerp. Maar ik heb nog niet de gouden sleutel voor het grote systeem gevonden. Het is gewoon nog niet zo: We doen incentive X, Y, Z en het gaat rollen.”

Kijkt u als zorgverzekeraar ook naar maatschappelijke kosten en baten?
“Monitoring vraagt vaak om een grote investering, maar het laat ook zien dat wat we doen, zoals in Overvecht, iets oplevert. We hebben nu de Erasmus Universiteit gevraagd om in Rotterdam nog beter te monitoren. Dan kun je bijvoorbeeld kijken of het netwerk en de zelfredzaamheid van een cliënt groter worden. Als zorgverzekeraar denken wij heel snel in businesscases. Soms ook te snel, je kunt er ook creativiteit mee dood slaan. Natuurlijk is het wel erg belangrijk om de opbrengst inzichtelijk te hebben, zowel in maatschappelijke als in materiële zin. Wij staan daar soms zakelijker in dan gemeenten.”

Doelgroepen
“Waar de zorgverzekeraar en de gemeenten gemeenschappelijk belang bij hebben, zijn interventies bij kwetsbaardere doelgroepen. Die haal je zo uit de declaraties. Ze maken gebruik van overheidsvoorzieningen; wonen in krachtwijken; hebben een lage sociaaleconomische status; hebben te maken met psychiatrische problematiek en werkloosheid. Maar het zijn ook ouderen, die minder mobiel zijn en een sociaal isolement ontwikkelen.

Houden jullie je ook bezig met interventies op het gebied van ruimtelijke ontwikkeling?
“Beweeginterventies zijn natuurlijk belangrijk, bijvoorbeeld op school. Maar we leggen geen fietspaden aan ofzo. We hebben wel een tijdje een voetbalclub gesteund in Amsterdam-Noord, een wijk met kansarme jongeren. Dat initiatief heeft het uiteindelijk niet gered, anders had dat wellicht uitgebreid kunnen worden. Nu is er op dat vlak maar heel weinig.”

Maar ruimtelijke ordening is ook een plek waar de gemeente pijn lijdt, de knip dicht moet houden. Zitten daar ook niet juist kansen? Het is lastig om te zeggen wat de precieze baten zijn van zo’n sportveldje.
“Op korte termijn gaat dat vooral om naamsbekendheid. Op lange termijn zie je wel degelijk dat de kinderen meer saamhorigheid voelen en überhaupt een plek hebben om te bewegen. Op nog langere termijn zie je dan dat kinderen minder dik zijn, minder aan de drugs raken. Dan dalen de zorgkosten, maar dat gaat wel echt over de lange termijn.

Zelf ben ik altijd erg van de regio, maar van onze marketeers hoor ik dat landelijke uitstraling, bijvoorbeeld op tv, toch meer doet. Dan is de vraag voor wie je aantrekkelijk wilt zijn. Lang niet iedereen is gebaat bij dat voetbalveldje in Amsterdam-Noord.

Onze belangen zijn verschillend bij de benadering van onze vaste klanten en van de jonge hoogopgeleide ‘hoppers’, die ieder jaar een nieuwe verzekering nemen. Bij de eerste groep ligt de uitdaging vooral in gezondheidsbevordering. Een convenant of Cruyff-court is daar op gericht. Bij de tweede groep is vooral klantenbinding belangrijk. Daarvoor is die landelijke uitstraling van belang.”

Is er concrete ambitie om jullie kennis te koppelen aan gebiedsontwikkeling? In Rotterdam bijvoorbeeld, door op wijkniveau bepaalde voorzieningen te ontwikkelen?
“Nee, dat is niet ons terrein. Wel kijken wel met Syntrus (Syntrus Achmea, red.) samen, dat is natuurlijk een interessante gesprekspartner. Er zijn nu veel verzorgingshuizen met een overschot aan ruimte. We willen kijken naar de synergie, bijvoorbeeld met gemeenten die weer loketten moeten gaan inrichten. Omdat Achmea een holding is die ook Syntrus in zich heeft is dat extra interessant.”

Deze serie heeft als thema ‘de gezonde stedeling in de gezonde stad’. Heeft u een bepaald toekomstbeeld? Hoe ziet de gezonde stad eruit vanuit uw perspectief?
“Ik zou graag zo lang mogelijk regie houden over mijn eigen leven. Bijvoorbeeld door persoonsalarmering op maat, dat ik niet bang hoef te zijn dat ik met een gebroken heup lig te creperen achter de bank. Ik wil ook dat de woningbouw zo is ingericht dat ik mijn buren tegenkom, dat we van elkaar weten wanneer we thuis zijn. Ik wil dat het veilig is op straat zodat ik naar een avondwinkel kan. Ik wil dat het OV toegankelijk is. Ik wil een aantal plekken waar ik makkelijk mensen kan ontmoeten, tegen eenzaamheid. Ik wil dat de stad mij bij deze dingen optimaal helpt. De gemeente, de woningcorporatie, de zorgverzekeraar; door goede samenwerking kunnen ze bijdragen aan een stad waarin ik zo kan leven.”

Dit interview is onderdeel van de interviewserie ‘Perspectieven op de gezonde stad’. In deze serie komen verder nog aan het woord: Kim Putters (directeur Sociaal Cultureel Planbureau) en Ralph Sommers (ontwikkelingsmanager zorgvastgoed Syntrus Achmea).